Mijn halfvastenverhaal in de Druivenstreek

op 16 maart 2026 12:44 Toespraken

Toen ik Minister Van Justitie werd stelde ik me soms voor dat ik zou gevangen worden gezet, en probeerde ik me met dat virtueel lot te verzoenen. Ik hoopte op een goede gevangenis, een oude liefst, met wat verloren charme. Op een eigen kleine cel, met een bed, een tafel en een stoel, waar ik enkele boeken kon stallen. Waar ik contact zou leggen met betrokken bewakers wiens achtergrond ik al bevragend zou leren kennen, en met wie ik een eindweegs in hun leven zou gaan, figuurlijk dan. Ik zou geregeld bezoek en briefwisseling ontvangen van de mensen die ik graag zie, en corresponderen met vrienden en vakgenoten. Misschien een uurtje I-pad per dag, of toch één krant, ook al is het die van de dag voordien. Ik was bereid veel los te laten, maar zoals u hoort wilde ik ook veel vasthouden. Teruggeworpen worden op mezelf wilde ik toch zo huiselijk mogelijk houden. Ik dacht eerder aan een soort retraite in een tuinhuisje.

Vorige week hoorde ik van Mark Eyskens een minder aangenaam scenario. Een planetoïde zou op de aarde vallen, laat ons hopen een kleine, maar toch één die ons leven helemaal verwoest, en de ark van Noah nabijbrengt. Ik dacht de net op de antiekmarkt veroverde Berlijnse notities van Cees Noteboom mee te nemen op onze Ark, en een zwembroek om mijn fatsoen te kunnen houden. De tijd die Noah van God kreeg leek me niet realistisch. Het moest snel gaan. Met een bankkaart en cash zou ik alleen maar miserie hebben. Maar een noodrugzak met naast een zwembroek, ook een tandenborstel, mijn bloeddrukpilletjes en een paar bananen zet ik alvast klaar. De kinderen zouden wel voor hun kinderen zorgen, beslissen we. We wilden ze doodgraag bij ons, maar ze wonen op een zekere afstand. Auto’s zijn onbruikbaar nat, en telefoons werken niet meer. We moeten ze dus loslaten, onze kinderen. Mijn echtgenote zwemt goed, maar ik had de film Titanic gezien, en ze kan niet beter tegen de kou dan Kate Winslet.  We pakten dus een opblaasbaar bootje in, ook  een wheat suit leek me geen overbodige luxe. En wat zonnecrème voor mij, voor het geval we in de woestijn zouden terecht komen, en een zakdoek om op mijn kaal hoofd te binden.  

Nu de situatie mij verplichtte alles los te laten, zocht ik naar houvast. Op menselijk vlak, mijn lieve echtgenote, alleen zijn is mijn ding niet, en met haar is veel meer dan samen alleen. Maar ook geestelijk zou ik zonder sociaal contact reddeloos verloren zijn. Wat mij sterk bekommerde was waaraan ik allemaal zou beginnen denken als ik helemaal alleen aan mijn lot zou zijn overgelaten, en niemand meer had om mee te praten. Hoe ik mijn identiteit zou bewaren of hervinden, of wedersamenstellen.  Ik had geen rimpelloos leven, en ben een arme zondaar. Zou ik de zelfverwijten aankunnen? Mezelf kunnen vergeven? Zou ik het zonder sociaal contact en zonder boeken volhouden? Ik besloot één boek van buiten te leren, dat vroeger overal op de nachtkastjes lag. Het evangelie. Het schoonste boek. Als ik de wijsheid die daarin vervat lag kon omzetten, zo dacht ik, kon ik wellicht overleven, en wie weet, zelfs een beetje leven. 

U ziet, het is niet moeilijk om de essentie uit het oog te verliezen in deze drukke wereld, maar een beetje dagdromen volstaat om ze terug te vinden, toch als men in de Druivenstreek mee een vastenmoment mag invullen. Misschien is het wel zo dat men om houvast te vinden, bereid moet zijn om alles los te laten. De Chinese keizers en de Egyptische farao’s waren nog niet tot dat inzicht gekomen, als men naar hun praalgraven kijkt. Ze wilden alles meenemen, volgens hen wist je maar nooit waarvoor je het nodig hebt in het hiernamaals.

Vaak is het moeilijker om los te laten dan om vast te houden. En toch getuigt loslaten soms van nog meer liefde.

De ouder moet haar of zijn kind geleidelijk aan loslaten en het van zich weg beminnen. Aanvankelijk wil het kind dat niet inzien, denk maar aan de eerste schooldag, maar uiteindelijk is het kind dankbaar dat het zijn eigen weg mag gaan. Al doet het voor ouder en kind soms veel pijn.

Naar mijn bescheiden mening gaat de Verrijzenis van Pasen over iets gelijkaardigs.

Het is delicaat over de dood te spreken voor iemand die nog niet gestorven is. Ik heb -uiteraard- geen ervaring. En zal het toch doen. Omdat zwijgen en wegkijken niets oplost.

Als een stervende en een overlevende die van elkaar houden er beiden in slagen om de ander op de juiste manier los te laten, verrijzen ze in zekere zin samen.

Door los te laten neemt de stervende in ogenschouw dat het leven na haar of na hem verder gaat. Het is wat Jezus aan het kruis zegt aan zijn moeder terwijl hij naar Johannes kijkt: ‘Vrouw, zie daar uw zoon’, en aan Johannes: ‘Zoon, zie daar uw moeder’. Al zou ook Hij de kelk liever aan zich voorbij hebben zien gaan.

Evenzeer door los te laten verzet degene die zielsveel van de stervende houdt zich niet (meer) tegen diens immers onvermijdelijke dood. Het is wat Jezus aan Petrus probeert te leren wanneer die het oor afhakt van de man die Jezus moet gevangen nemen. Het is immers onherroepelijk beschikt dat Jezus moet sterven.

Zo brengt de dood een nieuw begin zowel voor de stervende als voor de liefhebbende overlevende.

De overleden persoon blijft aanwezig in de herinnering van wie hem liefhad, en volgt zo mee diens levenspad.

De overlevende heeft weliswaar mee geleden, maar is niet écht mee gestorven. Hij mag een nieuw begin maken.

Aanvankelijk is dat schoorvoetend. Maar na verloop van tijd vindt de overlevende, jong of oud, nieuwe energie en gaat hij verder. Het vraagt ontzettend veel moed, dat wel. Pas als het lang na Pasen Pinksteren wordt, eens ze de energie en de moed hebben gevonden, verbreken de apostelen hun stilzwijgen. Ze zullen aan ieder die het horen wil vertellen wat een fantastische mens Jezus is. Maar veel meer nog wat een geweldige boodschap zijn inspirerend leven voor ons in zich draagt.

Jezus verrijst pas echt als de apostelen een nieuw begin kunnen maken, en zijn boodschap prediken. En de apostelen herrijzen pas echt als Jezus zonder schroom in herinnering mag worden gebracht door Zijn boodschap.

Dat verhaal van Jezus’ kruisdood ken ik alvast van buiten als straks de planetoïde valt. Het is het belangrijkste verhaal uit het evangelie. Het leert ons omgaan met de dood, het grootste raadsel uit de Schepping dat niemand verstaat, en waarvan niemand al ooit is teruggekomen. Maar de dood is deel van het leven. Het is pas als we inzien dat onze dood noodzakelijk is om anderen verder te laten leven, dat we ‘kunnen’ sterven en dat we geslaagd zijn voor het leven. En het is pas als we anderen kunnen laten sterven, zonder ons krampachtig vast te klampen, dat we de diepte van het leven begrepen hebben. En onze geliefde doden elke dag in ons laten verrijzen.

In de vasten houden we elkaar vast om samen het mysterie van Pasen aan te kunnen, de dood van Jezus. Hij was niet de eerste de beste, hij was en is de beste mens die er ooit is geweest. Vind ik, vinden wij. Hij had zijn omgeving gevraagd alles los te laten om hem te volgen, en de mannen en vrouwen die daartoe werden geroepen door hem, hadden dat ook gedaan. Uit liefde en overtuiging hadden zij alles opgegeven voor hun charismatische maar bescheiden geestelijke leider. Die met zijn ogen alleen geweld deed wijken, en met zijn woorden alleen mensen heelde. Die alles anders en beter maakte, hoewel niets veranderde. Omdat zij zeker waren dat hij alles kon, ook de dood overwinnen, begrepen zij niet dat hij zich neerlegde bij wat in zijn ogen onvermijdelijk was. Hij was immers nog jong, en ze hadden het samen zo goed gehad. Met alles had hij raad geweten, nooit schoot hij tekort.

Stervenden zijn ‘alleen’ hoezeer we hen ook omringen. Zij weten en voelen wat wij niet voelen en nog minder willen weten. Die zekerheid van hun nakend heengaan willen delen, maakt hen dikwijls nog allener. Want wij die rond het bed staan ontkennen in eerste instantie het licht van de waarheid, en vallen in slaap terwijl we zouden moeten wakker blijven. Petrus hakt het oor af van een soldaat die Jezus moet arresteren. Enkele uren later zal hij tot driemaal toe ontkennen tot de groep van Jezus te behoren, en enkele uren daarvoor was hij in slaap gevallen in het Hofke van Olijven terwijl hij bij Jezus moest waken. En toch zal hij de volgers van Jezus na zijn dood leiden, want zijn menselijke tekortkomingen worden hem vergeven. Hij zal in die vergeving de moed vinden om zelf voor zijn geloof aan het kruis te sterven. Op zijn tijd. Jezus vraagt Petrus niet om mee te sterven, maar precies om verder te leven, overtuigd, en gelouterd door zijn zonden.

Eén van de vele lessen uit dit verhaal is dat de overlevers de kans op de laatste gesprekken met twee handen moeten grijpen, als daarvoor de tijd en de ruimte bestaat. Wanneer de stervende klaar is om helder zijn nakende dood onder ogen te zien, en vrijmoedig kan praten met wie van haar of hem houdt over wat volgen gaat en voorafgegaan is. Het vraagt van beide kanten ontzettend veel moed, maar het verdraagt geen uitstel als beiden er klaar voor zijn. Want hoe je het ook draait of keert, heel ons leven is een voorbereiding op de dood. Weinigen zijn voorbereid op een dood die veel te jong komt, of totaal onverwacht, dat spreekt vanzelf. Maar wie heeft nagedacht en een beetje levenservaring heeft opgedaan, weet dàt ze komt, de zwaarste van alle uitdagingen waarvoor je geen herkansing krijgt, maar waarop je je wel kan voorbereiden als het leven meezit, als je de kans krijgt en grijpt.

Zijn lieve moeder Maria, Johannes, de apostelen, en de beste brievenschrijver ooit, Paulus, zijn erin geslaagd om Jezus een universele Verrrijzenis te geven. Wij hopen dat er een hiernamaals volgt. Soms hoor ik mensen wel eens zeggen dat al hun aardse streven en werken geen zin heeft gehad als er niets volgt na de dood, minstens als ze niet kunnen participeren aan een eeuwige Absolute Geest zoals Hegel die voorhield. Er is geen zekerheid, enkel geloof en hoop. De rede kan ons maar matig helpen. Ik citeer het bidprentje van Louis Dupré, een grote godsdienstfilosoof:

mijn tocht heeft nooit een eindpunt bereikt, ik bleef een mens op weg. Wat mij voortdreef was het ondoorgrondelijke, het mysterieuze dat aantrekt en steeds weer aan het begrip ontglipt. Het goddelijke was voor mij de essentiële fascinerende dimensie van het menselijke.”

Of ik kan verwijzen naar Mark Eyskens: ‘wie denkt de zin van het leven te hebben gevonden, die heeft niet goed gezocht’. Dat vermogen om zich in verlangen en hoop steeds weer te hernieuwen, kan een pessimist niet opbrengen.

Jozef Van den Berghe zou Eyskens geantwoord hebben: “wie zoekt, die zal gevonden worden”. Jozef Van den Berghe is de poppenspeler die op 14 september 1989 besliste om de wereld te verlaten en zich als kluizenaar te vestigen, in een kartonnen hut dicht bij een kerktoren. Paulus, Augustinus, Franciscus, Ruusbroec, Theresa van Avilla, Johannes van het Kruis, en vele anderen zochten hun heil in stilte, in de woeste eenzaamheid en in gebed, dicht bij de natuur of in een slotklooster. Zij geloven rotsvast, zij hebben God gezien, gevoeld of gehoord, Hij heeft hen aangeraakt, zij hebben zich overgegeven.

We moeten het niet te ver zoeken, schrijft Timmermans in zijn prachtig gedicht Adagio: ”Of loopt de weg doorheen de grot van onze ziel, waarin Gij waakt, mijn God? ‘k Zocht U altijd buiten mij, tot het leven mij verwondde, en ik U, o zaalge stonde, in mijzelve heb gevonden. Hij is in ons! In ons! Zo is het goed! En laat mij zwijgen en verlangen”. God is midden onder ons, is binnen in ons.

Het geestelijk contact met een persoonlijke God, waarvan Christus de Openbaring op aarde zou zijn, blijft een kwestie van Genade. Men kan die afsmeken, maar niet afdwingen.

Wie het zoals ik moet stellen zonder die plotse Genade, kan zich er enkel een hevige en plotse universele verliefdheid bij voorstellen die heel het wezen doorstraalt. Waar je, zoals van menselijke verliefdheid, niet van kan slapen, die je helemaal doordesemt, en gek maakt van verlangen naar een volgend weerzien.

Ik zie de mens Jezus heel graag. Hij is de baken in ons, in mijn leven. Maar ik mag met het leven dat ik heb geleid en leid, niet verlangen van God dat Zij of Hij me laat weten dat Zij of Hij mij graag ziet. Ik ben geen kluizenaar geweest die zoals Franciscus met de dieren praatte. Precies daarom dat ik zo angstig doende ben met die planetoïde. En mutatis mutandis met de dood. Want als zij daar is, de dood, zal ik hoe dan ook mijn tocht alleen moeten gaan. En de laatste stap moeten zetten, met de houvast van het evangelie in het hoofd, durven loslaten, wellicht zonder die Genade te hebben ervaren die het Verrijzenisgeloof eenvoudiger maakt.

Uiteraard is het leven geen voorbereiding op de dood alleen. De vasten dwingt ons evenwel om ook in de plaats van de stervende te treden. Met veel meer gebreken dan Jezus zal dat sterven voor geen onder ons gemakkelijk zijn, ook al worden we dan niet gekruisigd. Jezus heeft ons willen bevrijden, willen aantonen dat goed sterven mogelijk is. En dan ook te vergeven aan wie ons pijn heeft gedaan, zodat die persoon zonder al te veel wroeging verder kan leven.

Maar zoals gezegd, de kruisdood van Jezus gaat ook over wie de stervende zal overleven, en hoe zij of hij dat best kan doen. Dat is het verhaal van Pinksteren. Dan durven we weer buitenkomen, uit onze bunker van rouw en verdriet, die zolang mogen duren als nodig, maar die na verloop van tijd kunnen overstegen worden door de energie die de overledene ons heeft overgedragen. Om te doen en te worden zoals zij of hij dat zou hebben gewild. Om opnieuw open te staan voor de anderen, en niet meer bij onszelf te verwijlen. Het is die openheid naar anderen die Jezus als houvast aanreikt, ik herhaal het nog eens: ‘vrouw, zie daar uw zoon’, zegt hij tegen zijn moeder, en ‘zoon, zie daar uw moeder’, zegt hij tegen Johannes. En aan de Emmaüsgangers die hem niet herkennen laat hij verstaan dat hij midden onder ons is als we samen blijven. Het is zoals wanneer je soms voelt dat iemand u wel heel graag moet zien, maar het niet zeker weet. Het blijft een mysterie, misschien juist daarom dat het heel ons leven vervult om ernaar te zoeken.

Met de survival of the fittest en the struggle for life begrijpen we de oorlog, maar niet het gedrag van goede mensen in de oorlog. We zien die wetten van Darwin dus dagelijks functioneren en we weten dat deze wetten van Darwin de samenleving en de evolutie van de soorten op aarde bepalen. Maar Jezus houdt ons een andere wet voor, die van de Liefde, en die is zo mooi, dat ze wel bovenmenselijk lijkt, misschien wel bovenmenselijk moet zijn. Maar dat de Liefde bestaat, en dat zij de meesten onder ons liever is dan de wetten van Darwin, weet ik heel zeker. Zij is onze houvast.

Zij is vriendelijk, zegt Paulus, de Liefde, zij is niet jaloers, zij pronkt niet, zij is geduldig, denkt geen kwaad, zoekt niet naar haar eigen belang, is niet blij met ongerechtigheid, verheugt zich over de waarheid, zij doet niet gewichtig, zij hoopt alles, zij gelooft alles, zij verdraagt alles. Ook de Liefde is een Genade. Maar één waar je relatief gemakkelijk aan kan werken om ze te leren ontvangen, omdat er zoveel mensen zijn in je omgeving die je liefde waard zijn. Dan wordt het na verloop van tijd ook gemakkelijk, als je dat niet van nature hebt, om de Liefde zoals Paulus ze beschrijft, te beleven op een universele manier. Zij gaat veel verder dan de persoonlijke liefde tussen mensen, mannen, vrouwen en kinderen, al is die liefde het uitgangspunt dat de andere Liefde begrijpelijk maakt.

Die Liefde kan een belangrijke maatstaf zijn bij het nemen van beslissingen, in het bijzonder wanneer ze individuele personen betreffen. Luc Ferry, een vrijzinnig filosoof die nog Minister van Nationale Opvoeding is geweest in Frankrijk, beschreef in “De l’amour” de categorische imperatief van de liefde: “Agis de telle sorte que tu puisses souhaiter voir les décisions que tu prends s’appliquer aussi aux êtres que tu aimes le plus”.

Zou ik met andere woorden dezelfde persoonlijke of professionele beslissing nemen wanneer een persoon die ik graag mag zich in exact dezelfde situatie bevindt? Dan pas is het een goede beslissing. Voor alle duidelijkheid, dat wil niet zeggen dat het een milde, partijdige beslissing moet zijn. Maar wel dat het een juiste beslissing moet zijn, die aan de betrokken persoon een juist perspectief en dito toekomst geeft. Onlangs zei een neurochirug mij: ‘ik ga u niet opereren, want ik zou dat met mijn vader in dezelfde omstandigheden ook niet doen’. Hij had alles begrepen.

Goede vrienden, dat de dood het noodzakelijk einde is van ons leven mag ons niet verhinderen te leven. Daarom heeft Jezus ons leren sterven, maar ook leren de stervende overleven.

Ik eindig precies daarom met de laatste strofe uit het gebed van Franciscus, een houvast om u tegen te zeggen:

‘laat mij niet zoeken getroost te worden, maar te troosten,

Niet begrepen te worden, maar te begrijpen,

Niet bemind te worden, maar te beminnen,

Want het is toch door te geven, dat men ontvangt,

Door te verliezen dat men vindt,

Door te vergeven dat men vergiffenis ervaart,

Door te sterven dat men verrijst tot het eeuwige leven’

Ik wens u nog een fijne houvastentijd, en alvast een zalig Paasfeest.