De Vlaamse feestdag in Sint-Pieters-Leeuw

op 11 juli 2026 12:22 Toespraken

Geachte burgemeester en schepenen,

geachte bestendig afgevaardigde,

beste inwoners van Sint Pieters Leeuw,

beste bewoners van het arrondissement Halle-Vilvoorde,

Een dag als deze is er dikwijls om het toeval van België in 1830, de splitsing van de Nederlanden in de 17e eeuw, en hun tijdelijke hereniging in 1815 te onderstrepen. Wie was orangist op het einde van de 16e eeuw? En wie was dat bij de scheiding die niemand wilde in 1830 (naar het gelijknamig boek van Willem de Bruin)? In 1830 althans waren velen uit de Franstalige hogere burgerij, tot in Henegouwen toe. Hoe dan ook, het was een scheiding die niemand wilde, maar die er toch kwam, door de koppigheid van de Nederlandse Koning Willem die niet wijzer wilde worden, en de fratsen van zijn zoon waaraan wij het Paleis der Academiën te danken hebben.

Mensen vechten doorgaans niet voor een droom van onafhankelijkheid of soevereiniteit, voor het ideaal van een staat, maar vechten wel om den brode, om de erkenning van hun rechten, soms om hun religieuze rechten, als die strijd samenvalt met een onafhankelijkheidsstrijd, dan is dat leuk. En zo was het ook in 1302. Het was een strijd van ambachtslieden tegen patriciërs, van gewone stedelingen tegen -vaak-kasteelheren. Zij viel samen met de strijd van de Franse Koning tegen de Vlaamse leenman Gwijde van Dampierre die samen met zijn zoon Robrecht van Bethune in Parijs werd gevangen gehouden. Uiteindelijk zouden de Vlaamse steden Brugge, Kortrijk en Ieper in opstand komen? Gent bleef thuis op een groep rond Jan van Borluut na. Brugge was de aanstoker, Kortrijk en Ieper staken pas laat over. Het waren doorgaans geen ridders, onze Klauwaards, gelukkig kregen ze de hulp van een andere zoon van Dampierre, dat was de Gwijde van Namen. Daar werd toen al Frans gesproken, en bij ons een soort Diets. Onze Namurois deed de job. En versloeg de écht Franse ridders. Later liep het slecht af. Zoon de Bethune zou een vernederende vrede met Frankrijk moeten tekenen.

Vlaanderen toen, dat was ook Frans-Vlaanderen, dat was ook Zeeuws-Vlaanderen, dat was alles ten westen van de Schelde, met stukken Henegouwen. Vlaanderen was niet Brabant. Brabant stond aan de zijde van Frankrijk op het slagveld in Kortrijk.

Het is ‘bon ton’ om te zeggen dat de Guldensporenslag maar een toevallige overlevende is van de geschiedenis. Toen in 1836 de schilder Nicaise De Keyser -die Conscience inspireerde- de Slag op de Groeningekouter uitbeeldde was de duivel Frankrijk. Het was immers Frankrijk dat ons laatst gekoloniseerd had, in 1795, kort na de Franse revolutie en dan, in de Napoleontische periode. Tot dan waren wij deel van de Habsburgse Nederlanden, sedert 1482, eerst Spaans-Habsburgs, in de 18e eeuw, sedert 1705, Oostenrijks-Habsburgs.

Hadden we ons in 1830 tegen Duitstaligen en niet tegen Franstaligen moeten afzetten, dan was de slag om Woeringen bij Keulen in 1288 vandaag in alle geschiedenisboekjes terecht gekomen. Dan waren we geen Vlamingen, maar Brabanders geweest. Hertog Jan veroverde toen Limburg ten nadele van de hertog van Gelderland. Vlaanderen stond in dat gevecht aan de zijde van de Gelderlanders en die van de bisschop van Keulen.

U hoort het het goed: Vlaanderen vocht in 1288 tegen Brabant, aan de zijde van Gelderland en Keulen. En Brabant vocht in 1302 tegen Vlaanderen, aan de zijde van Frankrijk.

Om maar te zeggen dat het huidige Vlaanderen bij het begin van de 14e eeuw niet bestond. De plek waar we nu staan lag toen al in Brabant, ten oosten van de Dender en de Schelde. Niet ver van hier, op een spreekwoordelijke boogscheut, had in 1356 de slag bij Zuun of Scheut plaats. Graaf Lodewijk van Male eiste voor zijn Vlaanderen Brussel, Mechelen en Antwerpen op, omdat hij getrouwd was met een van de dochters van de zonder zoon gestorven hertog Jan III, terwijl Wenceslas van Luxemburg met de andere dochter was gehuwd. De eerste overwinning van Vlaanderen in de Brabantse Successieoorlog, hier in Scheut, liep uiteindelijk op niets uit.

Vergeten we niet dat de Brabantse Omwenteling van 1790, nog onder Oostenrijks bewind, al in Belgische onafhankelijkheid had kunnen eindigen. De Vlaming Vonck en de Brabander Van der Noot hadden evenwel verschillende staatsopvattingen. Vonck dacht centraal en Frans, Van der Noot confederaal en Nederlands-Duits. We zien het nog altijd: een West-Vlaming gaat minder vaak Groot-Nederlands denken, maar sluit meer aan bij Noord-Frankrijk. Een Limburger zit dan weer dichter bij Nederland en Duitsland.

***

Wat is een soevereine natie anders dan een voltooid project? Na 80 jaar is Europa nog altijd geen natie. Zeker, er is gedeelde soevereiniteit en soms moeizame samenwerking. Te vergelijken met het Byzantijnse rijk, of met Oostenrijk-Hongarije. De manier waarop Marc Rutte omgaat met de NAVO doet denken aan de Byzantijnse en Oostenrijkse keizers. Nederig, vleierig, tot alles bereid om het eigen grondgebied veilig te stellen, niet al te oorlogszuchtig, en diplomatiek handig en economisch naar verhouding erg sterk. Elke diplomatieke fout kan de laatste zijn, elke misstap onvergeeflijk. Wat voor de Byzantijnen de Vierde kruistocht was in 1204, was voor de Oostenrijkers de Duitse hereniging in 1871. Hoe dan ook, het gevaar komt meestal meer van binnen dan van buiten, zo was het toen, zo is het nu. Europa is oninneembaar als het verenigd blijft, of wordt. De Slowaakse of de Hongaarse energie-afhankelijkheid van Rusland, ai, de Baltische kwetsbaarheid, oei, de tegenstrijdige Frans-Duitse militaire pretenties, pas op, de Spaanse koppigheid tegen de NAVO, ay caramba, de Turkse fierheid in het Midden Oosten en Zuid-Azië, gelijk welke toeval kan deze cocktail doen ontbranden. We weten dat, en blijven dus rustig. We weten dat we dieper moeten integreren, en wachten geduldig op de volgende crisis die dat mogelijk moet maken.

Ook Vlaanderen is bijna zestig jaar na de eerste staatshervorming in 1971 waarbij het rechtspersoonlijkheid verkreeg, nog altijd een project. Toen Gaston Eyskens in de jaren ‘30 van de vorige eeuw liet weten dat de Vlamingen zich het meerderheidsgevoel moesten aankweken dat paste bij hun getal, werden de wenkbrauwen gefronst. Wat later, in de regeringen Pierlot die gevormd werd net voor en tijdens de oorlog, waren de Franstaligen in de -soms- grote meerderheid. Dat was toen geen aardigheid. Het Frans bleef de voertaal van wie er toe deed. Voor alle duidelijkheid, dit had en heeft niets van doen met Duits- of Engelsgezindheid, dat is een ander verhaal. Zoals er veel Franstalige orangisten in 1830 waren, waren er ook veel Nederlandstalige verzetslieden in 1940-‘45. En er waren ook veel Franstalige colloborateurs. Wel zag de bezetter de Vlamingen liever dan de Franstaligen, ook in de Duitse kampen, en die Flamenpolitik, meer nog dan de betwistbare houding van de Koning, bracht met zich dat de Walen en de Brusselaars in meerderheid tegen Leopold III stemden. Ze voelden zich gediscrimineerd door de Duitsers en lieten dat blijken, zoals de Vlaamse frontsoldaten zich gediscrimineerd hadden gevoeld tijdens WO I, niet door de Duitsers, maar door hun Franstalige bevelvoerders.

De stemming bij referendum voor of tegen de terugkeer van de Koning bracht voor het eerst aan het licht dat in een essentiële zaak -en dat was de Koningskwestie-, een Belgische meerderheid die vooral gevormd wordt aan één kant van de taalgrens, haar wil niet kan opleggen aan een meerderheid in de andere taalgroep. Hoewel het niet was gesteld, was het feitelijke vereiste van een dubbele meerderheid in bepaalde taal(grens)kwesties, en in financieringskwesties was meteen geboren, ook al moest daar juridisch en grondwettelijk nog jaren op worden gewacht.

Twintig jaar na de Koningskwestie ontbrandde Leuven-Vlaams. Kort voordien was de taalgrens vastgelegd, en werden de talentellingen beëindigd. De splitsing van de laatste tweetalige universiteit op Vlaams grondgebied luidde meteen de eerste Staatshervorming in. Opnieuw was het Gaston Eyskens die vanaf 1968 als eerste minister probeerde de zaken in goede banen te leiden. In 1971 was de cultuurautonomie een feit. De Vlaamse gemeenschap was geboren. We hadden een Nederlandstalige Minister van Cultuur. Overal rezen de culuturele centra als paddestoelen uit de grond, en toen wat later ook het onderwijs werd gecommunautarizeerd, kon onze vreugde niet meer op. Vlaanderen kreeg een cultuur- en onderwijsbeleid om u tegen te zeggen. Gratis onderwijs is één van de sterkste manieren om een bevolking te emanciperen. Kunst- en muziekonderwijs, en ook tweedekansonderwijs zijn gratis of bijna gratis, en leverden schitterende resultaten op. Ook het buitengewoon onderwijs is zeer goed. In het universitair segment werd Leuven ondanks de splitsing de grootste universiteit, en zij is in de internationale rankings bij de allerbesten. Gent ook. Op het stuk van onderzoek en ontwikkeling is de Vlaamse regio onvoorstelbaar sterk. De investeringsquote tav het BNP zit boven de 3,5% met grote co-financiering van de privé-sector. Ook op het stuk van gezondheidszorg, en wat Vlaanderen aangaat dan vooral de preventieve gezondheidszorg en de ouderenzorg mogen onze prestaties worden gezien. Samen met de federale ziekteverzekering behoren zij tot de beste op het continent. Onze gemeenten en provincies staan sterk, en strekken tot fierheid van hun burgemeesters en schepenen. We mogen het niet zeggen, maar wel denken: we zijn een rijke regio. Wachtlijsten verdragen zich daar moelijk mee, DBFM projecten voor scholenbouw evenmin.

***

Mijn bedoeling is niet om een Septemberverklaring voor te lezen. Want er is een ‘maar’. Wie niet beter weet, zou denken dat het project Vlaanderen van zijn glans heeft verloren, en aan drang naar excellentie en inclusie heeft ingeboet. Wie leest hoeveel miljarden Oosterweel meer zal kosten dan ‘begroot’, en dat is een dubbelzinnig concept in die context, gelooft zijn oren en ogen niet. Een goede Vlaming als ik probeert het te begrijpen. Hij legt de kaasschaaf uit aan de mensen, hoe onverbiddellijk die is, en hoe elke Vlaamse minister moet sparen in zijn domein, maar vrijelijk kiest hoe. Net zoals overschotten die de financieringswet Vlaanderen meer oplevert dan was begroot vaak worden verdeeld tussen de regeringspartijen, en elke partij die vrijelijk besteedt. Vlaanderen zelf heeft, bij die oefeningen althans, veelal geen prioriteiten. Maar een milde glimlach tot grimlach dreigt, toch bij mij, als het gaat over het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs, of over het op droog zaad zetten van de Koninklijke Academie.

De Vlaming vandaag is niet meer de Vlaming van de 20ste eeuw. Het project Vlaanderen is wat van zijn culturele ontvoogdingsglans verloren. We lijken ‘gearriveerd’, maar is men dat ooit? Cultuur is een bijbevoegdheid van een grote portefeuille, ongeveer 0,5 MiA op 65 MiA. Dat moet niet meer zijn, maar Cultuur zou een hoofdbevoegdheid mogen zijn, samen met Media en Brussel, zoals dat in het verleden vaak het geval was. Na de ontwikkeling van de taal in de 17e eeuw in Nederland, en in de 20ste eeuw in Vlaanderen, is taalgevoeligheid kennelijk geen ‘issue’ meer. Zo zeggen we dat tegenwoordig. Ik heb geen ‘issues’ met. Onze jongeren zijn vranker en taalvaardiger geworden, dat werd tijd, en ze spreken gemiddeld genomen ook beter Engels. Maar dat de doorsnee-Vlaming er geen aanstoot meer aan neemt dat een Franstalige partijvoorzitter op de VRT -hoe is voor die ‘V’ gevochten- met onderschriften vrijelijk het woord mag nemen, in de studio, is voor iemand als ik nog altijd moeilijk te bevatten. Opnieuw neem ik de beleidsvoerders van VRT en media in bescherming en zeg ik mild, maar met de dood in het hart: wie Lize Spit, Lucille Baeten, Hannelore Betert of Pommelien Thijs leest of hoort, begrijpt beter waarom taal geen ‘issue’ meer is. We handelen vanuit sterkte.

De Vlamingen hebben dus het meerderheidsgevoel waar ze sedert lang naar op zoek waren. Of ze dat nu precies op de wijze beleven die Gaston Eyskens 90 jaar geleden voor ogen had laat ik in het midden. Andere tijden, andere zeden. In elk geval liet dat meerderheidsgevoel de NVA toe om zich complexloos in de stoel van premier en van Kamervoorzitter te hijsen. En zich vandaag naar het Brussels stadhuis maar ook volgende week naar de plechtigheden en feesten rond het Koninklijk Paleis te begeven. Het belangrijkste met een gevoel is dat anderen het als authentiek ervaren. Dat doen de Franstaligen met ons meerderheidsgevoel. Behalve de MR-voorzitter op de VRT dan, maar ‘passons’, zo zeggen we dat, ‘passons’, zoals het een zelfbewuste meerderheid past.

De vraag is dan of het voor de Vlaamse Lange Termijn strategie iets verandert. Samen met Leonard Cohen lijkt het wel alsof de premier ervoor gekozen heeft om zoals Leonard Cohen ‘to change the system from within’. First we take Manhattan, dat is dan het Martelarenplein in 2014, then we take Berlin, 10 jaar later, de Wetstraat 16.

In het verleden heb ik bij herhaling gesteld dat het moeilijk was om nog hervormingen op federaal niveau door te voeren, toch als het geen nieuwe uitgaven waren. En dat voor hervormingen wellicht een zevende Staatshervorming nodig zou zijn. Ik herinner mij zelfs dat de huidige premier een uitspraak die ik in die zin deed in een debat in juli 2022 vatte in een filmje op twitter, en dat hij zich het daarmee volledig eens verklaarde. De Wever stuurde dat filmpje natuurlijk vooral rond om Vivaldi pijn te doen met de uitspraak van een lid van de meerderheid, uw dienaar, maar hij leek het wel te menen.

En toen, toen won Bart De Wever against all odds de verkiezingen, hij verloor weliswaar kiezers aan het Vlaams Belang, maar compenseerde dat door erbij te winnen van VLD en CD&V. Hij won op een programma dat strakke begrotingsdiscipline vooropstelde. En door de loterij van de urnen werd hem in Wallonië niet de PS maar de MR als regeringspartner toegespeeld. Een centrum-centrumrechts regeerakkoord werd denkbaar. Het siert Bart De Wever dat hij -wat hij zelf quasi-onmogelijk achtte- toch wil doen, en met geduld probeert de noodzakelijke hervormingen door te voeren op federaal niveau. Wat de Vlamingen voor zichzelf zouden willen doen, zou dan ook lukken voor de Franstaligen, en het zou het door de NVA voorheen zo gewenste confederalisme minder dringend maken.

Het is niet mijn bedoeling om vandaag op deze hervormingen in te gaan, en hun duurzaamheid vanuit constitutioneel en budgettair oogpunt te beoordelen. Het is niet het onderwerp, en het is daarvoor trouwens te vroeg. Er wacht nog een lange hete begrotingszomer die tot in de diepe najaar zou kunnen duren.

Ik wilde enkel aantonen hoezeer de Belgische regeringsvorming van 2024 het verworven meerderheidsgevoel van de Vlaming illustreert. Als een Vlaams-Nationalist ‘de 16’ bezet alsof dat de normaalste zaak van de wereld is, kan men daar niet naast kijken.

We kunnen dus gerust zijnde Vlaming is niet alleen Vlaming, hij is ook een zelfbewuste Belg en Europeaan die zich met groot gemak in de wereld beweegt, en die, als ondernemer, wetenschapper, politicus of toerist, vanop zijn luchthaven moeiteloos en complexloos de verste horizonten opzoekt. Om dat vast te stellen hebben we niet op Bart De Wever moeten wachten, hij levert door premier te worden alleen het bewijs uit het ongerijmde van de juistheid van die stelling.

***

Met de identiteit van de Vlaming zit het dus snor, maar wat met de identiteit van de Vlaamse Regering? Men moet toegeven dat samenvallende verkiezingen onvermijdelijk de klemtoon leggen op het federale gebeuren in de kiescampagne. De kiezer focust op de Wetstraat, niet op het Martelarenplein, en al helemaal niet op het Schumanplein. Met alle gevolgen vandien. Vlaamse ministers kunnen zich niet onderscheiden van federale, kunnen hun prestaties niet laten gelden zoals het hoort, en de kiezer kan het verschil niet maken. De partijen scoren -altijd opnieuw- redelijk vergelijkbaar in de drie gelijktijdig gehouden verkiezingen.

Samenvallende verkiezingen geven gemakkelijk symmetrische regeringenals resultaat omdat de kiesuitslagen vergelijkbaar zijn. En als de eerste minister dan nog van dezelfde kleur is als de minister-president, wordt identiteit voor de Vlaamse Regering een hele uitdaging. Ik zou graag -maar u zou dat partijdig vinden- de lof zingen van Gaston Geens en van Luc Van den Brande die ondanks Wilfried Martens en ondanks Jean-Luc Dehaene Vlaanderen een gezicht gaven om u tegen te zeggen. Onze twee minister -presidenten van de vorige eeuw lieten zich er in elk geval niet door hun federale premier van tegenhouden om Flanders Technology op de kaart te zetten, of om de verankering van onze bedrijven tot een speerpunt te maken, of om de vijf Vlaamse resoluties door het Vlaams Parlement te laten stemmen. Zelfs in mijn lofzang op Geens en Van den Brande zou ik moeten toegeven dat het gemakkelijker was om zich te profileren voor Yves Leterme toen Guy Verhofstadt premier was of voor Kris Peeters toen Elio di Rupo dat was. 

Om maar te zeggen, Matthias Diependaele zit niet in de meest dankbare rol tegenover Bart De Wever. Opnieuw ik oordeel niet, dat is het onderwerp niet, en ik wil zeker de Vlaamse feestdag van de MP niet bederven. U kan zijn interview in de Tijd van 11 juli, van deze morgen dus, best zelf lezen om zijn project en dat van de Vlaamse Regering te beoordelen.

De minister-president maakt in zijn interview gewag van de politieke realiteit: er mag van hem altijd over een staatshervorming worden gesproken, zegt hij laconiek, waarmee hij aanduidt dat er geen meerderheid voor is. Zonder het met zoveel woorden te zeggen, geeft hij te kennen dat dit onderwerp voor de N-VA vandaag niet op tafel ligt. Het verbaast mij niet. In mei 2024 mocht ik in debat gaan met Egbert Lachaert en Matthias Diependaele over de staatshervorming in de volgende legislatuur. Het was voor studenten in Gent, o.l.v. Nicolas Bouteca, naar aanleiding van diens nieuw boek over de zes staatshervormingen. Ik kon de toekomstige minister-president geen enkele uitspraak over eventuele N-VA-plannen met een staatshervorming ontlokken. Het woord confederalisme viel niet één keer. Het blijft voor de N-VA vandaag taboe: je wint er geen stemmen mee, dus zwijgen we erover, is kennelijk het devies.

Mijn diepe overtuiging blijft niettemin dat aan het einde van de rit een zevende Staatshervorming wacht. Zoals Europa is België een geniale improvisatie die zich van crisis naar crisis, van verdrag naar verdrag en van staatshervorming naar staatshervorming voortsleept. Het is het gevolg van de complexiteit en de lengte van onze geschiedenis, van de lappendeken die wij daardoor zijn geworden. België is 200 jaar geleden niet begonnen als een blanco-blad, en Europa 80 jaar geleden nog veel minder. De Verenigde Staten zorgden er 250 jaar geleden wel voor dat ze van scratch konden beginnen, en het resultaat is er ondanks alle tekstuele helderheid van de founding fathers vandaag zeker niet beter om. Ook Diependaele geeft in zijn interview in de Tijd van heden schoorvoetend toe dat de Staatshervormingen die de CD&V op poten zette, Vlaanderen vandaag de hefbomen en de vleugels heeft gegeven die het nodig had om te schitteren in de wereld. Hij voegt eraan toe dat zijn partij altijd haar ‘reserves’ had bij die staatshervormingen omdat zij vond dat het meer moest zijn, meer bevoegdheden, materieel en fiscaal. Dat het niet meer werd, is natuurlijk ook het gevolg van een politieke realiteit. CD&V heeft altijd, met zoveel mogelijk talent en inzet, die politieke realiteit aanvaard én veranderd. Je bent een ‘Tsjeef’ of je bent het niet.

Een staatshervorming bevechten vergt twee zaken: diplomatieke handigheid en moed, en een uitstekende voorbereiding. De derde en de vierde Staatshervorming in 1988 en 1993 van Dehaene waren staaltjes van goede voorbereiding. De VU werkte overigens in de regering mee aan de derde. De tweede Staatshervoming van 1980 van Martens en de zesde van 2011 van Beke kostten beide veel meer politieke levens en doorzettingsvermogen omdat ze niet zo degelijk waren voorbereid. We kunnen gerust zeggen dat twee van onze meest getalenteerde en populaire politici als eerste minister sneuvelden om die staatshervorming uit de brand te slepen, en ik bedoel Leo Tindemans en Yves Leterme. En dames en heren, BHV was twee keer het struikelblok, wij zijn samen met uw burgemeesters blijven vechten voor de splitsing. Dat leverde geen stemmen op voor alle duidelijkheid. Als je alleen dan aan politiek doet, begin je er beter niet aan.

Iets voorbereiden en cours de route vergt meer tijd, zoals de tweede en de zesde Staatshervorming, en kan vandaag enkel dankzij de stabiliteit van de Euro. Dan nog mogen de financiële markten niet op Belgische schuldpapier beginnen speculeren. Wat ze deden op het einde van de negociatie van de zesde Staatshervorming, herinner u de Letermebons aan 6%. Deze week nog las ik van een KBC-analist dat hij op de Belgische obligaties zou beginnen shorten als hij veel geld had.

Dat over sommige onderwerpen liever niet gesproken wordt kan het gevolg zijn van diplomatieke handigheid. Dat ze onder de tafel blijven om die reden, tot daar aan toe, maar dat ze onder de mat worden geschoven om niet te worden bestudeerd, zou doodjammer zijn. Studeren en voorbereiden zijn een dringende noodzaak, onlangs riepen vooraanstaande academici en hoge ambtenaren daartoe op (DS, 27 mei 2026).

Vaak ten koste van de federale middelen die ook nog de tekorten van de armlastige sociale zekerheid moeten dekken, dat is nu al 55 MiA per jaar, krijgen de deelstaten van het federale financieringssysteem een heel groot deel van de middelen die ze nodig hebben. Daar heeft de zesde Staatshervorming voor gezorgd met federale dotaties en gedeelde personenbelasting. Wallonië en Brussel boeken desondanks zware tekorten, vooral de Franse gemeenschap voor onderwijs en meer nog het Brussels gewest. Zij zijn zwaar overbeleend. Ook Vlaanderen heeft al 75 miljard geleend. De deelstaten hebben niettemin heel wat fiscale hefbomen om tekorten te vermijden, maar weigeren die te gebruiken. Ze zijn zo gewoon om de federale dotaties en de gedeelde personenbelasting als enige bron te gebruiken dat ze zelfs de belastingen die ze autonoom kunnen heffen liever afschaffen of reduceren. Lees vandaag in DS het prachtig interview met Koen Algoed, de hoogste Vlaamse begrotingsambtenaar die als Leuvense hoogleraar in het Vives instituut baanbrekende studies heeft geschreven over de financiering van de deelstaten (vives-beleidspaper-de-staat-van-lands-financien.pdf).

De begrotingsonafhankelijkheid van gewesten en gemeenschappen, die paradoxaal genoeg gepaard gaat met de consolidatie van hun cijfers met de federale cijfers voor Europese doeleinden, is to say the least’ bijzonder. Het werkt als beton die niet krimpt of uitzet, zegt Quinten Jacobs in ‘Het betonnen beleid’. De deelstaten gedragen zich soeverein, maar moeten nauwelijks aparte verantwoording afleggen, noch tegenover de federale overheid, noch tegenover de Europese instanties. Begrotingsminister Van Peteghem heeft onlangs een samenwerkingsakkoord gesloten met de deelstaten om bindende meerjarentrajecten af te spreken die juridische afdwingbaar zijn (Nieuw kader voor economische governance | News.belgium). Dit is een stap vooruit die niet voldoende kan onderstreept worden. Maar, zoals altijd, “the proof of the pudding is in the eating”.

We weten toch allemaal dat in het deelstatelijk bestel een essentieel politiek element ontbreekt dat nodig is om aan spaarzaam beleid te doen, en dat is de echte eigen fiscale en financiële verantwoordelijkheid. Een jong gezin dat bijna alles van de ouders krijgt en de rest beleent, weet niet wat het is om er alleen voor te staan. Solidariteit is een noodzakelijk sluitstuk, maar dat werkt enkel mits eigen verantwoordelijkheid. Het overhevelen van werkelijk belangrijke fiscale bevoegdheden zal dus noodzakelijk zijn. Diependaele verwijst in zijn interview vandaag naar Baskenland, dichter nog kan men naar Duitsland verwijzen.

Eens de financiële verantwoordelijkheid bestaat, is het bovendien gemakkelijker, psychologisch dan, voor de deelstaatministers om te sparen op uitgaven dan voor de federale ministers. De federale ministers beheren immers de common pool, en daaruit putten de deelstaten liever dan zelf geld uit te geven. Dat is menselijk. Onder mijn bewind als Minister van Financiën werd de bevoegdheid voor de woonbonus overgeheveld naar de deelstaten. Indien federaal die woonbonus zelf afgeschaft had, had de Vlaamse Regering ons en mij in het bijzonder gelyncht. Nu de Vlaamse overheid die fiscale incentive zelf kon afschaffen, kraaide er geen haan naar. Hetzelfde geldt voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing inzake O&O, een zogenaamde ‘usurperende’ bevoegdheid die de federale overheid tot grote tevredenheid van de deelstaten mag uitoefenen, maar die in wezen de hare niet is. Onlangs stelde Wim Coumans in de Tijd van 10 juni voor dom ie bevoegdheid voortaan maar te laten uitoefenen door het bestuur dat ervoor bevoegd is, te weten de deelstaten. Misschien een ideetje voor de Minister van Financiën Jambon. Maar als hij dat doet zonder zevende Staatshervorming (zoals de woonbonus met de zesde overging), wordt hij gelyncht. Ik wens het hem niet toe.

Ik weet zeker dat indien de curatieve gezondheidszorg die federaal 45 MiA kost (excl. invaliditeit) naar de deelstaten zou worden overgeheveld en samen met de preventieve gezondheidszorg homogeen zou worden ‘toegepast’, er veel efficiëntiewinsten zouden kunnen worden geboekt. Lees de Vlaamse Resouluties van Luc Van den Brande uit het laatste decennium van de vorige eeuw.

Mijnheer de burgemeester, het is zaterdag vandaag, en het is dus een betaalde feestdag. Ik word dus korter. Wat wens ik u allen toe. Dat Vlaanderen zich verder mag ontwikkelen tot één van de regio’s die toonaangevend zijn in onderwijs, onderzoek en welzijn. Met een stimulerend economisch en rechtvaardig fiscaal klimaat om u tegen te zeggen. Waarin de zwaksten nooit worden achtergelaten, en de sterksten zich tot nut van het algemeen mogen ontwikkelen tot ‘schone mensen’, is dat geen mooi Vlaams woord? En uiteraard, waarin de lokale bestuurders en mensen de sporen geven, want het waren de opkomende stedelingen en ambachtslieden, niet de gearriveerde patriciërs en edellieden die de toon zetten in de Guldensporenslag.

Ik wens u van harte een fijne Vlaamse feestdag.