Wie niet horen wil, moet niet voelen

op 04 mei 2021 07:50 De Standaard

Wie denkt aan verbod, denkt aan straffen. Dat is net niet de bedoeling van het nieuwe CD&V-wetsvoorstel van Kamerlid Koen Geens, dat mee wordt ondertekend door zijn partijgenoten Els Van Hoof en Franky Demon. Geens wil 'het recht van een kind op een geweldloze opvoeding' verankeren in het Burgerlijk Wetboek. Hij hoopt zo een mentaliteitswijziging op gang te brengen.

De voormalige minister van Justitie wil ondubbelzinnig laten vastleggen dat het slaan en vernederen van kinderen even onaanvaardbaar en ongeoorloofd is als het slaan en vernederen van om het even wie. Geens stelt voor om een aparte titel toe te voegen aan het Burgerlijk Wetboek, 'Geweldloze opvoeding'. Hij voegt het artikel dus niet toe onder de ­titel 'Ouderlijk gezag' ­- het recht van kinderen op een geweldloze opvoeding is in die optiek geen voorwerp van keuze voor ouders.

N-VA-politicus Theo Francken wierp gisteren zijn gewicht 'als politicus, pedagoog en vader' in de schaal om tegengas te bieden. Hij vindt opvoeden een privézaak en een occasionele klap geen probleem. Maar de N-VA zit nu in de oppositie en CD&V'ster Els Van Hoof denkt dat de kans groot is dat het voorstel het daarom 'deze keer wel zal halen'. De tekst wordt deze week in het parlement besproken.

Geweld leert niets

CD&V-senatrice Sabine de Bethune diende in 1999 al het allereerste voorstel in, ze viseerde toen nog de zogenaamde 'pedagogische tik'. De geesten waren er toen niet rijp voor in dit land, waar hele generaties zijn opgegroeid met de slogan dat 'wie niet horen wil, moet voelen'.

Intussen is België al meermaals door internationale instanties veroordeeld voor het uitblijven van zo'n verbod. Slechts drie andere Europese landen - Italië, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk - zijn even laks als wij. Een na een volgden onze buurlanden het voorbeeld van Zweden, dat hierin pionierde. Het ontbrak de afgelopen jaren in ons land nochtans niet aan opvoedingsexperts die voorstander waren van een verbod op het slaan van kinderen. Onder andere het Kinderrechtencommissariaat pleit er al lang voor.

'Wij zeggen al jaren dat er niets pedagogisch is aan de pedago­gische tik', zegt ­huidig kinderrechtencommissaris Caroline Vrijens. 'Helaas raakt dit debat altijd zo snel gepolariseerd, terwijl het zo vanzelfsprekend is: niemand wil ouders bestraffen die hun kleuter een tik geven om die voor onheil te behoeden. Het gaat om het algemene principe dat opvoeding ­geweldloos hoort te zijn en dat slaan daar niet in thuishoort. Geweld schendt het recht op fysieke integriteit van kinderen, en het leert hen helemaal niets, behalve dat geweld een oplossing zou kunnen zijn. We weten dat dat sporen nalaat in hun ontwikkeling.'

Boemerang

Onderzoek aan de universiteit van Harvard leert dat kinderen die thuis af en toe een mep rond de oren krijgen daardoor even erg geschaad worden als kinderen die thuis regelrecht mishandeld worden. De kinderen kregen foto's te zien van gewoon kijkende mensen en van angstig kijkende mensen. Bij die laatste foto's was de stress­reactie bij beide groepen kinderen even groot. Kinderen die thuis geen geweld ervaren, reageerden niet met verhoogde stress.

Ook professor Bart Soenens, ontwikkelingspsycholoog aan de UGent, zegt dat er een wetenschappelijke consensus is gegroeid rond de schadelijke gevolgen van fysieke straffen voor kinderen. 'Vroeger werd nog tegengeworpen dat een klap op korte termijn voordelig zou kunnen zijn, omdat het kind dan snel gehoorzaamt. Maar evengoed lokt zo'n klap een woedeaanval bij je kleuter uit. Het is dus een aanpak die vaak al in het ­moment als een boemerang in je gezicht terugkeert.'

'Ook het idee dat liefdevolle, warme ouders voldoende compenseren voor de occasionele klappen houdt geen stand. Zelfs in gezinnen waar ouders veel warmte ­tonen, hangt fysiek straffen robuust samen met later probleemgedrag.'

Soenens' pleidooi tegen fysiek straffen is absoluut geen pleidooi voor een permissieve opvoeding waarin alles moet kunnen en mogen. 'Er zijn voldoende alternatieven voor fysieke straffen', zegt hij. 'Je kunt je kind bijvoorbeeld inbreng geven in de afspraken die je maakt, een overtuigende reden geven voor de regels die je invoert, en aandachtig luisteren wanneer je kind niet akkoord gaat met regels. Op die manier verinnerlijkt je kind de regels veel sneller, terwijl straffen en vernederingen vooral verzet oproepen.'

Slechte ouders?

Soenens maakt zich wel zorgen over een mogelijk bijeffect van een wetswijziging: 'Het zou jammer zijn als het onderwerp daardoor taboe wordt, en ouders niet meer durven te vertellen dat ze een klap hebben uitgedeeld. Opvoeden is een bijzonder uitdagende rol en ouders verdienen veel mededogen, ook - en misschien zelfs vooral - wanneer ze zich machteloos voelen. Juist door over opvoedingsmoeilijkheden te praten met anderen, kun je je als ouder beter begrepen voelen en ideeën krijgen over hoe je het anders kunt aanpakken.'

Eenzelfde ongerustheid bij Karla Van Leeuwen, professor gezinspedagogiek aan de KU Leuven: 'Uit het Jong!-onderzoek leerden we dat de helft van de 1-jarigen en tot drie kwart van de 3-jarigen weleens een tik krijgt. In mijn ogen betekent dat niet dat die ouders slecht zijn. Culpabiliseren leidt niet tot oplossingen, sensibiliseren wel. Je kunt ouders leren dat er goed werkende alternatieven zijn, de aandacht afleiden van iets wat niet mag, bijvoorbeeld. Je kunt jonge kinderen ook uitleggen waarom iets niet mag. Kinderen leren maar taal door omstandigheden waarin die taal gebruikt wordt. Je kunt meer humor gebruiken of gewenst gedrag extra belonen. Ik hoop dus dat de wetgever daar ook rekening mee houdt en ouders doorverwijst naar eventuele hulpbronnen, zoals de Huizen van het Kind of de ­Opvoedingslijn.'

Veerle Beel